NVvl

NVvL: een terugblik op de eerste 50 jaar

Op 26 april 1991, precies 50 jaar na de oprichtingsvergadering van de "Vakafdeling van Luchtvaarttechniek" van de KNVvL, heeft de NVvL samen met de Vliegtuigbouwkundige Studentenvereniging Leonardo da Vinci het symposium ‘De toekomst van Nederland in de luchtvaart’ georganiseerd. Ter gelegenheid van dit jubileum, is door Fred Sterk, destijds secretaris van de NVvL, de ontstaansgeschiedenis van de NVvL beschreven.

OPRICHTING
Het archief van de NVvL is vrijwel compleet, maar het oudste aanwezige document is een kopie van een brief van 14 februari 1940, dus net voor de oorlog, waarin ir. W.T. Koiter uit Arnstelveen aan dr. ir. E.B. Wolff uit Bussum o.a. het volgende schrijft:

"Reeds geruimen tijd ben ik van meening, dat het bevorderen van het ontstaan van een band tusschen de ingenieurs werkzaam in de Nederlandsche Luchtvaart om velerlei redenen nuttig en zeer gewenscht zal zijn. Hierover zou ik gaarne van gedachten willen wisselen met menschen, die de Nederlandse Luchtvaart in al hare geledingen door en door kennen, zoodat ik in de eerste plaats aan U heb gedacht (...). Zooals U bekend zal zijn, bestaat in vrijwel elk land met een luchtvaartindustrie van beteekenis een soort vereeniging voor luchtvaarttechniek, welke ten doe1 heeft het bevorderen van het contact, zoowel tusschen theorie en practijk, als tusschen de op luchtvaartgebied werkende personen. Het komt mij voor dat de oprichting van een dergelijke vereeniging hier te lande wenschelijk is om dezelfde redenen, die voor het buitenland gelden.
Voor de oprichting van bovenbedoelde vereeniging lijken mij de volgende richtlijnen geschikt:
1.      De vereeniging heeft ten doel:
  • de bevordering van de wisselwerking tusschen wetenschap en techniek op het gebied van de luchtvaart;
  • de bevordering van het persoonlijk contact tusschen de personen, die werkzaam zijn in wetenschap en techniek op het gebied van de luchtvaart.

2.      De voornaamste middelen, die voor het bereiken van de onder 1 gestelde doeleinden beschikbaar zijn, kunnen worden samengevat in:

  • het houden van vergaderingen, waar na een voordracht door een deskundige gelegenheid bestaat tot gedachtenwisseling;
  • de uitgave van een periodiek. In verband met de aan b verbonden hooge kosten zal aanvankelijk wellicht alleen het onder a genoemde middel ten dienste staan.

3.      Ter bevordering van de goede samenwerking met reeds bestaande vereenigingen als de Kon. Ned. Vereeniging voor Luchtvaart en het K.I.V.I. lijkt mij wenschelijk tijdig contact met de  vereenigingen te zoeken, waarna b.v. de op te richten vereeniging in haar geheel tot bovengenoemde instituten zou kunnen toetreden.

4.      Om het tot stand komen der vereeniging zooveel mogelijk doenlijk te vergemakkelijken acht ik het gewenscht contact te zoeken met de leiders van alle organisaties, welke personen in dienst hebben, wier werkzaamheden op het in punt 1 bedoelde terrein vallen. Door deze leiders zou dan ook opgave gedaan kunnen worden wie van hun personeel naar hun meening voor het lidmaatschap in aanmerking komt. Op deze wijze is het mogelijk, dat ook de leiders van b.v. de fabrieken dit initiatief zullen  steunen."

In de op 8 maart 1940, dus nog net voor de Tweede Wereldoorlog, op Schiphol gehouden vergadering werden op basis van deze brief de "Voorgestelde richtlijnen voor de oprichting van een Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaarttechniek" opgesteld.

Waarschijnlijk door de betrokkenheid van ons land bij de oorlogshandelingen in mei 1940 en de daarop volgende bezetting duurt het tot februari 1941 alvorens de heren J. van der Heyden, G. Spit,
ir. H.C. van Meerten, ir. A.J. Marx en P. de Winter in overleg met de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL), die overigens in datzelfde jaar de vermelding "Koninklijk" in haar naam op last van de bezetter moet laten vallen, besluiten tot het bijeenroepen van een oprichtingsvergadering. Bedoelde vergadering wordt op 26 april 1941 belegd bij het Nationaal Luchtvaart Laboratorium (het huidige NLR) in Amsterdam door een voorlopige Commissie van Bestuur bestaande uit de heren ir. C. Koning (NLL), ir. M. Beeling (Fokker) en ir. J. Luymes (KL.M). Pikant detail daarbij is dat in die tijd de bezetter verplicht had gesteld vooraf toestemming te vragen voor het houden van vergaderingen. Het betreffende verzoek van de waarnemend Algemeen Secretaris van de KNVvL, de heer I. Montauban van Swijndregt is vanwege de curiositeit onderstaand afgebeeld.
Uiteindelijk werd eerst op 24 april, dus twee dagen voor de vergadering, en na een telefoontje van de heer U.F.M. Dellaert naar de KNVvL duidelijk dat de toestemming was verleend. Bij de zaalingang diende wel een controleur te worden geplaatst omdat volgens voorschrift alleen zij toegang zouden hebben "die de uitnodiging kunnen toonen".
Uit het door de heer Luymes opgestelde verslag blijkt dat 50 belangstellenden aanwezig zijn, welke zich uitspreken voor de oprichting van de Vakafdeling Luchtvaarttechniek der KNVvL. De contributie wordt voorlopig vastgesteld op f 6,- waarvan de KNVvL f 4,85 krijgt, zodat f 1,15 voor de vakgroep overblijft. De leden zullen "Het Vliegveld" gaan ontvangen. De vergadering gaat ermee akkoord de heren Koning, De Winter, Van Meerten, Holterman en Luymes ter benoeming als NVvL bestuursleden aan het Hoofdbestuur van de KNVvL voor te dragen. Uit het verslag blijkt dat de gehele vergadering echts 70 minuten heeft geduurd. Overigens werd in het uiteindelijk opgestelde reglement gesproken van een "Club voor Wetenschappelijke Luchtvaarttechniek" waarbij men KNVvL-lid diende te zijn om lid te kunnen zijn van de Vakafdeling Luchtvaarttechniek. Deze constructie werd gekozen om zonodig enige vorm van ballotage mogelijk te maken. Het concept van dit reglement werd in juni 1941 aan de leden gezonden.
In het eerste verenigingsjaar wordt een drietal lezingen georganiseerd, alle op de zaterdagmiddag bij het NLL: "Differentiatie of normalisatie van verkeersvliegtuigen" door ir. H.C. van Meerten op 28 juni, "Starteischen van vliegtuigen" door ir. C.A.F. Fakenhagen op 13 september en "Over de grootte van staartvlakken" door C.G. de Kat op 1 november 1941.
Dat de oprichting van de NVvL ook indirect in een behoefte voorzag, blijkt uit een brief van 20 mei 1941 aan het Hoofdbestuur van de KNVvL waarin de voorzitters van de Vakafdelingen "Luchtvaarttechniek" (ir. C. Koning) en "Zweefvliegtuigen" (hr. P. Cuypers, Architect) de instelling van een "Commissie Vliegtechnische Vraagstukken" gericht op "het onderkennen van de vliegtechnische problemen, die zich voordoen bij de opleiding tot en de beoefening van de zweefvliegsport". Voor de "oplossing" van de aangegeven vraagstukken had de directie van het NLL zich bereid verklaard tot medewerking. In de brief wordt verder gesteld: "Betreffende de samenstelling van de commissie zouden wij U in overweging willen geven deze niet q.q. te doen bestaan uit leden van het Hoofdbestuur of één harer commissies, doch de leden te kiezen op grond van hun vakkennis en belangstelling. Wij stellen U daarom voor de volgende heeren uit te noodigen in de commissie  zitting te nemen: Prof. Dr. Ir. H.J. van der Maas, Prof. Dr. W.J.D. van Dijck, en de heer J.K. Hoekstra." En verder wordt gesteld: "Het zal noodzakelijk zijn, dat aan de commissie een jong ingenieur ter beschikking wordt gesteld, die tevens als secretaris fungeert en onder leiding van de commissie het noodige voorbereidende, organisatorische en technische werk verricht. Waar mogelijk zal deze technicus aan de uitwerking van problemen medewerken".
In een antwoord van de KNVvL van 26 mei 1941 aan de heer De Koning als voorzitter van de Vakafdeling Luchtvaarttechniek verklaart men zich hiermee akkoord, met de aantekening dat de eventueel naar aanleiding van de studie te nemen maatregelen behoren tot de competentie van het Hoofdbestuur van de KNVvL en dat deze "jong ingenieur" zijn werk "con amore" verricht.

Het eerste verenigingsjaar sluit enigszins in mineur af als de Procureur-generaal bij het Gerechtshof in Amsterdam op 27 oktober 1941 aan het KNVvL-bestuur laat weten bezwaar te hebben tegen de oprichting van de Club voor Wetenschappelijke Luchtvaarttechniek. De voorzitter van het NLL, de heer Blackstone, blijkt hiervan reeds eerder te hebben vernomen en mogelijke bezwaren te hebben geopperd tegen het houden van de NVvL-vergaderingen bij het NLL. De heer Koning schrijft hierover, als directeur van het NLL, in een brief van 11 oktober 1941 aan de heer Blackstone: "Als voorzitter van genoemde club kan ik uiteraard bij beschouwing van het NLL als plaats van deze samenkomsten niet anders dan voordelen zien. Wij hebben dan ook deze gelegenheid om in aangename en passende omgeving bijeen te komen, zonder dat hieraan kosten of andere bezwaren zijn verbonden, dankbaar aangegrepen". (Een argument dat ook thans nog geldt!) De heer Koning blijkt in genoemde brief het risico voor het laboratorium als gering in te schatten en stelt verder: "Uw instemming met deze gang van zaken gedurende het tijdvak, dat op Mei 1940 volgde, heeft mij de overtuiging gegeven, dat U geheel instemt met de door ons gevolgde gedragslijn op het aangegeven gebied, welke uitgaat van het beginsel, dat wij niet zonder dat dit strikt noodig is, de houding van "doodliggen" moeten aannemen". Ondanks deze problemen gaat de eerder genoemde lezing van 1 november 1941 bij het NLL gewoon door!

LEDEN
Onmiddellijk bij de oprichting van de NVvL meldden zich 76 leden. Tijdens de oorlog zakte het aantal leden enigszins, om vanaf 1945 geleidelijk op te lopen tot ca. 340 in 1991. Wanneer deze lijst vergeleken wordt met de ledenlijst van 1991, dan blijkt dat van de oorspronkelijke 76 leden nog steed een negental lid is. Dit zijn de heren J. van Buuren, K.G. d’Engelbromer, A.M. Hazen, W.Tj. Koiter, A.J. Mam, H.C. van Meerten, T. van Oosterom, F.Ph. Stok en J.A. Wijsman.

BESTUUR
Het NVvL-bestuur is in principe samengesteld uit vertegenwoordigers van de belangrijkste luchtvaartinstellingen in ons land. In 1941 werd begonnen met vijf bestuursleden en in 1991 bestond het bestuur uit tien leden; in zijn totaliteit hebben in die periode veertig verschillende personen deel uitgemaakt van het bestuur. Speciaal genoemd kunnen worden prof.dr.ir. W.Th. Koiter, initiatiefnemer voor de oprichting van de NVvL en ir. H.C. van Meerten, één van de eerste bestuursleden. Beiden zijn later resp. zes jaar secretaris en zeven jaar voorzitter van de NVvL geweest.

ACTIVITEITEN
De voornaamste activiteit van de NVvL was en is het organiseren van lezingen, symposia en congressen, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het voeren van discussies om ideeën en ervaringen uit te wisselen. Per seizoen worden in de tachtiger jaren zeven tot acht lezingen georganiseerd, voor het overgrote deel gepresenteerd door Nederlandse deskundigen - maar de onmiddellijk na de oorlog opgevatte traditie tot het uitnodigen van een of meer buitenlandse sprekers per seizoen wordt nog steeds gevolgd. Het betreft thans veelal sprekers uit Engeland, de Verenigde Staten of Duitsland. De lezingen worden als regel gehouden op de laatste donderdagavonden van de maanden in het lezingenseizoen dat loopt van september tot juni. De reeds vanaf de oprichting ondervonden gastvrijheid hij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium heeft er toe geleid dat vrijwel alle avondlezingen daar plaatsvinden. Gedurende de laatste jaren zijn gemiddeld tussen de 50 en 75 toehoorders aanwezig, maar uitschieters tot boven de 150 komen voor. Door het soepele toelatingsbeleid is ca. een derde deel van hen geen lid van onze vereniging, m aar veelal student in de vliegtuigbouw en uit dien hoofde geïnteresseerd.

 

Sinds 1980 wordt meestal in april, een symposium over een actueel onderwerp gehouden. Hiertoe wordt een volledige dag uitgetrokken, waardoor het mogelijk is dieper dan tijdens de avondlezingen, op een gekozen thema in te gaan. Een dergelijke symposiumdag vindt meestal in een gehoor- of collegezaal van de Technische Universiteit Delft plaats en de organisatie geschiedt veelal in nauwe samenwerking met de Vliegtuigbouwkundige Studievereniging "Leonardo da Vinci" en een enkele maal met het "Koninklijk Instituut voor Ingenieurs". Het aantal belangstellenden ligt steeds tussen de 200 en 300 personen.

De NVvL heeft vanaf het ontstaan van de "International Council of Aeronautical Sciences (ICAS)" en het "European Rotorcraft Forum (ERF)" de daaruit voortvloeiende activiteiten ondersteund. Voor wat betreft ICAS heeft de NVvL, in samenwerking met diverse Nederlandse luchtvaartinstituten, eenmaal het ICAS-congres in ons land georganiseerd, en heeft de NVvL zitting in het bestuur en het programmacomité. Tussen oktober 1990 en 1997 is het internationale ICAS-secretariaat door de NVvL behartigd (na de AIAA, de DGLR en de RAeS in de voorgaande perioden). Het European Rotorcraft Forum is inmiddels reeds driemaal in Nederland gehouden.

 

In de vijftiger en zestiger jaren werden de teksten van de daarvoor geschikte lezingen in "De Ingenieur", het KIVI verenigingstijdschrift, gepubliceerd. De redactie van de betreffende rubriek "Luchtvaarttechniek" was in handen van ir. T. van Oosterom, van het NLR. De NVvL-leden kregen de overdrukken van de rubriek in een speciale omslag thuis gezonden. In de jaren zeventig kwam hier een einde aan doordat het karakter van "De Ingenieur" ging veranderen en men slechts plaats kon bieden aan artikelen van meer algemene aard. Om weer tot een regelmatige publicatie van de teksten van de voor de NVvL gehouden lezingen te komen werd vanaf 1973 begonnen met de publicatie van de NVvL-Jaarboeken onder redactie van de NVvL-secretaris. De boeken werden aanvankelijk (tot 1981) gedrukt bij de afdeling lithografie van de firma Fokker-VFW b.v. en daarna door het NLR. Na een aanvankelijk regelmatig verschijnen, ontstond door tijdsdruk oponthoud en werd hesloten een redactiecommissie in te stellen. De commissie werd in 1990 gevormd door de heren F.J.A. Beerlage, H.S.N. van Kampen, F.G. C.M. Sturm en J.H. Wagenmakers.

NVvL: Illustratie